Interview met Jeppe Moulijn

Componist van Four Sea Poems vertelt over zijn werk

Onlangs heeft de FASO-bibliotheek de Four Sea Poems voor sopraan en orkest van Jeppe Moulijn in haar collectie opgenomen. De Four Sea Poems zijn geschreven op gedichten uit Leaves of Grass van de 19e-eeuwse Amerikaanse dichter Walt Whitman. Naar aanleiding hiervan stelde FASO-bibliothecaris Marjolein Boekhoudt aan Jeppe Moulijn een aantal vragen over zijn muzikale achtergrond en over zijn werk als componist.

Wanneer ben je met musiceren begonnen?

Toen ik 6 was. Het schijnt dat ik per se de viool wilde, maar ik kan me niet precies herinneren waarom. Toen ik 13 was, werd ik lid van het Noordhollands Jeugdorkest en toen kwam alles in een stroomversnelling: het leek alsof ik toen begreep waar die viool eigenlijk voor diende. Ik begon muziek te schrijven en besloot geleidelijk om muzikant te worden.

Was er vroeger bij jou thuis altijd (klassieke) muziek?

Redelijk wat. Maar ik heb maar één familielid dat ook het vak in is gegaan, mijn tante die celliste is. Gretig draaide ik alle platen uit de kast. Het aanbod was traditioneel: Mozart, Haydn, Beethoven. Mijn tienerjaren heb ik voor een groot deel in de bibliotheek doorgebracht (met grammofoonplaten!) Ik leende alles: Mahler, Debussy, Scriabin. Wat een ontdekkingen waren dat! Ik kan nog steeds met enige weemoed terugdenken aan een tijd dat je al die stukken VOOR DE EERSTE KEER kon horen!

Ik heb begrepen dat je altviool speelt. Speel je ook andere instrumenten (behalve waarschijnlijk piano)?

Inderdaad piano, helaas maar matig, en viool dus. Ik heb op het conservatorium een tijdje stageles hoorn gehad, om mijn "feeling" met blazers te versterken. In een volgend leven wordt ik zeker hoornist!

Wanneer ben je met componeren begonnen en wat was je eerste werk?

Ongeveer toen ik dertien was. Het zal niet veel voorgesteld hebben: vooral een expiriment in hoe je muziek eigenlijk correct noteert. Gelukkig werd ik niet gehinderd door enige vorm van zelfkritiek of scrupules. Blijmoedig schreef ik rommel: de enige manier om te beginnen.

Let je bij het componeren altijd op de moeilijkheidsgraad voor een instrument?

Ik vind dat elke componist zich zeer goed rekenschap moet geven van de mogelijkheden en eigenaardigheden van elk instrument waarvoor hij/zij schrijft. Maar nog veel meer moet hij ideomatisch voor een instrument kunnen schrijven: wat past van nature bij een instrument? En vooral: wat niet? Dat wil niet zeggen dat het per se ‘makkelijk moet liggen’. Ik probeer in ieder geval dingen nooit ‘onnodig’ moeilijk te maken. Als je iets lastigs wilt (ik noem maar iets: de allerlaagste noot op een fagot pianissimo laten beginnen ...) moet daar en goede reden voor zijn. Instrumentale kleur is voor mij minstens zo belangrijk als melodie, harmonie of ritme.

Als je een stuk schrijft dat niet in opdracht is, heb je dan al uitvoerenden in gedachte (solist/orkest)?

Soms wel, soms niet. En soms gaat een stuk ook zijn ‘eigen gang’: je hebt een uitvoerende (bijvoorbeeld een zanger) op het oog maar dan blijkt de muziek toch om iets anders te smeken ...

Ben je bij het componeren van de Sea Poems uitgegaan van het gedicht of had je eerst een sfeer/onderwerp in gedachte en heb je daar een gedicht bij gezocht?

Eerst was er een vaag idee van het soort stuk dat ik wilde schrijven. Ik ben welbewust op zoek gegaan naar poëzie die ik zou kunnen gebruiken. De vier gedichten heb ik als eenheid (en ook in de gebruikte volgorde) bij elkaar gezocht. Het was meteen duidelijk dat het uiteindelijke “voyaging...voyaging...voyaging” de afsluiting moest zijn. Ook het idee van de in de verte verdwijnende zangeres was toen al geboren, voordat er één noot op papier stond.

Walt Whitman (1819 – 1892)

Ik las op je website dat jij je o.a. laat inspireren door componisten als Britten. De Sea Poems doen me denken aan zijn Serenade voor tenor, hoorn en strijkers, een werk dat ik goed ken, en aan de Sea Interludes (uit de opera Peter Grimes) waarin ik eenzelfde sfeer hoor als in de Sea Poems. Wat heeft je nu het meest geïnspireerd, de muziek van Britten of de gedichten van Walt Whitman?

Ik ben duidelijk niet het soort componist dat per se origineel wil zijn of zich niet wil laten beïnvloeden. Ik vind het wel belangrijk een eigen geluid en persoonlijkheid te hebben, daar gaat het uiteindelijk om. Maar het laatste deel van de Sea Poems is zonder meer een eerbetoon aan Britten en door de titel verwijs ik ook eigenlijk al naar zijn Sea interludes. Maar alle muzikale ideeën zijn rechtstreeks ontstaan vanuit de beelden uit Whitmans poëzie. En de zanglijnen ontstaan direct uit het ritme en de frasering van Whitmans taal.

Heb je voorkeur voor een orkesttype of een soort werk?

Door al mijn werk als dirigent is het symfonieorkest wel een beetje mijn natuurlijke habitat en ik schrijf snel en makkelijk voor orkest. Er is mij alleen gebleken dat je daardoor ook geneigd bent terug te vallen op dezelfde ‘trics’. Voor enkele recente opdrachten was ik gedwongen te schrijven voor bezettingen waar ik zelf niet zo snel voor zou kiezen; koor a capella bijvoorbeeld. Dat dwingt je om dingen te doen die je anders nooit zou doen. En daardoor ontstaat bij mij vaak onvermoede creativiteit.

De FASO-bibliotheek heeft jouw stuk in de collectie opgenomen. Is het niet moeilijk het stuk los te laten, al was het maar omdat je als dirigent precies weet hoe je dingen voor elkaar kunt krijgen?

Ik zal hoe dan ook blij zijn als iemand dit stuk op wil pakken. Daarbij helpt het wel dat het geen première meer is. Anders zou ik er vermoedelijk erg bovenop zitten. Als een andere dirigent echter buitengewoon kundig en liefdevol met mijn muziek omgaat, zoals laatst Peter Dijkstra met mijn nieuwe koorwerk, dan is dat een groot genot. Misschien vind ik het dan nog wel prettiger om vanaf de zijlijn te kunnen luisteren wat ik allemaal bedacht heb, in plaats van het zelf te dirigeren.

Ben je al met iets nieuws bezig?

Er zijn diverse plannen, bijvoorbeeld voor een altvioolconcert voor het Toonkunst Orkest Leiden. Verder loop ik rond met een zeer ambitieus plan voor een groot oratorium: een soort nieuwe Schöpfung met teksten uit Genesis maar dan gecombineerd met teksten uit Darwins On the Origin of Species en The Voyage of the Beagle. Niet met het doel mensen tegen het zere been te schoppen maar met het doel te tonen dat beide visies veel meer gemeen hebben dan men wel denkt ... Als koor- of orkestdirigenten of besturen geïnteresseerd zouden zijn in een dergelijk project, houd ik mij aanbevolen ...

Tot zover het interview. Waar kunnen we meer te weten komen?

Orkesten kunnen de Sea Poems lenen bij de FASO-bibliotheek; zie de FASO-catalogus, waarin ook een geluidsopname van het eerste deel van het werk is opgenomen (uitvoerenden zijn sopraan Marijje van Stralen met het Twents Kamerorkest onder leiding van Jeppe Moulijn).

17 oktober 2009