De transponerende hoorn
… en de transpirerende hoornist
Van hoornist Jan Harmsen ontving de redactie een uitleg over het transponeren voor hoornisten:
Tijdens orkestrepetities ontstaat vaak een voor strijkers onbegrijpelijke discussie tussen de dirigent en de hoornisten in de trant van: “Wat staat daar? Een C maar het is hoorn in D dus voor jullie een A en dat klinkt dan als D”. Kortom een niet-blazer kan daar geen touw aan vast knopen. Maar misschien helpt de volgende uitleg:
Blaasinstrumenten bestaan er in 2 versies: transponerende en niet-transponerende instrumenten. Bij de niet-transponerende instrumenten zoals bijvoorbeeld de fluit, hobo of fagot klinkt een noot zoals deze genoteerd is. Dus een C in de partij klinkt ook als een C. Bij de transponerende instrumenten staat het instrument in een bepaalde toonsoort, bijvoorbeeld in Bes (klarinet, trompet). Dit houdt in dat een genoteerde C klinkt als Bes. Alles klinkt dus één noot lager dan genoteerd. Bij een A-klarinet klinkt de genoteerde C als A, dus anderhalve noot lager dan genoteerd.
Maar voor de hoorn ligt het nog weer ingewikkelder.
Vroeger bestonden er alleen natuurhoorns zonder ventielen (bijvoorbeeld. jachthoorns). Op die hoorns kon je alleen natuurtonen blazen met vaste intervallen bijvoorbeeld de reeks C- E - G - C. In de muziek werden dan ook alleen die natuurtonen gebruikt. Dat dit een beperking inhield zal duidelijk zijn. Daarom werden natuurhoorns in verschillende lengten en dus verschillende stemmingen gebouwd. Of een hoorn werd door het erin zetten van verlengstukken (beugels) aanpasbaar gemaakt. De verschillende noten worden geblazen door de lipspanning te variëren. Hoe hoger de lipspanning des te hoger de toon.
Deze lipspanning (embouchure) kan bij zware (hoge) partijen zeer vermoeiend zijn en het vergt dan ook voortdurende oefening om deze op peil te houden.
Zo kan het gebeuren dat in een symfonie van Haydn bijvoorbeeld het eerste deel bestemd is voor een A-hoorn, het tweede deel voor een F-hoorn, het derde deel voor een D-hoorn enz. Men nam dan per deel de hoorn in de desbetreffende toonsoort of paste deze door beugels aan de voorgeschreven toonsoort aan.
In 1818 werd de eerste hoorn met ventielen gebouwd waarmee het mogelijk was chromatische toonladders te spelen m.b.v. 3 ventielen. Het middelste ventiel verlengt de buis zodanig dat de hoorn een halve toon lager klinkt. Het eerste ventiel verlaagt met een hele noot en het derde ventiel anderhalve noot. Door combinaties te maken (b.v. 1+2, 1+3, 2+3 enz.) kunnen alle chromatische tonen, dus alle tussen de natuurtonen liggende noten, gespeeld worden, wat natuurlijk een enorme vooruitgang betekende voor de mogelijkheden van de hoorn.
De meeste hoorns zijn tegenwoordig Bes-instrumenten; een genoteerde C klinkt dus als Bes. Deze zijn eventueel uitgevoerd als dubbelhoorn, d.w.z. een combinatie van Bes-hoorn en F-hoorn, waarbij het hele ventielenstelsen dubbel is uitgevoerd. Het normale deel staat dan in Bes en voor een heel hoog of een heel laag register wordt omgeschakeld (middels een duimventiel) naar hoog, resp. laag F. Het toonbereik wordt hierdoor vergroot. Beethoven heeft bedacht dat wanneer uitgegaan werd van een F-hoorn, alle partijen min of meer op de balk konden worden genoteerd zonder veel hulplijnen eronder of erboven. Dit houdt in concreto in dat een Bes-hoorn wordt bespeeld alsof het een F-hoorn is. Hier begint dus de complicatie te ontstaan over welke noten hoe klinken.
Op een Bes-hoorn, maar gebruikt alsof het een F-hoorn is, zal een genoteerde C klinken als F. De F-hoorn klinkt dus een kwint lager dan genoteerd.Modernere componisten zullen de hoornpartijen dan ook doorgaans noteren voor hoorn in F maar dit geldt niet voor de oudere muziek die gecomponeerd is voordat de ventielhoorn bestond.
Wanneer een deel van een Haydn symfonie (ik blijf maar even bij dit voorbeeld) voor hoorn in D is geschreven houdt dat in dat een genoteerde C als D moet klinken. Dus hoorn in “X” wil zeggen dat een genoteerde C als “X” zal klinken
Hoorns staan doorgaans genoteerd zonder voortekens aan de balk, zeker in de oudere muziek die nog op de natuurhoorns is gebaseerd.
Bij de F-hoorn wordt uitgegaan van de F als basisnoot. Dus een stuk voor E-hoorn wordt op een F-hoorn een halve noot lager gespeeld dan genoteerd. Een stuk voor D-hoorn wordt op de F-hoorn een terts lager, voor G-hoorn één noot hoger enz. (Zijn jullie er nog?)
De vakhoornisten hebben hier geen probleem mee. Die zijn op het conservatorium jaren getraind op het lezen in al deze toonsoorten. Maar wanneer alle hoornpartijen naar F-hoorn worden getransponeerd zijn alle toekomstige generaties van het probleem af en kan er gewoon geblazen kan worden “wat er staat”. Alles klinkt dan weliswaar een kwint lager dan genoteerd maar dat is dan tenminste consequent. Door alles naar F-hoorn om te zetten kan ik mij concentreren op zo goed mogelijk spelen zonder afgeleid te worden door de vraag welke noot ik moet pakken i.p.v. de genoteerde noot. Voor natuurhoorns geldt dit verhaal natuurlijk niet maar daar speelt vrijwel geen amateur op.
Vandaar dat ik alles wat ik moet spelen omzet naar partijen voor F-hoorn. Omdat ik dit al zo lang doe en dus vele honderden werken heb omgezet heb ik deze muziek inmiddels beschikbaar gesteld via mijn website www.hoornmuziek.nl waar een hele catalogus op staat. Hierin staan overigens ook veel getransponeerde trompetpartijen voor C- of Bes trompet en zelfs enkele klarinetpartijen die van A naar Bes zijn omgezet voor klarinettisten die geen A-klarinet hebben.
De hoeveelheid bestellingen die ik krijg voor naar F-hoorn getransponeerde partijen bewijst dat ik in de amateursector zeker niet de enige ben die problemen heeft met het al spelend transponeren; het komt vaak voor dat ik naast hoornisten zit die mij hierom uitlachen en die beweren dit wel al spelend te kunnen. Maar als ik dan in hun partijen kijk, zie ik zeer regelmatig dat de transposities met potlood bijgeschreven zijn. En dan moet ik weer lachen …
Ik hoop hiermee voor niet-hoornisten enige duidelijkheid te hebben verschaft over deze complexe materie.
(bijdrage van Jan Harmsen) |