De recensie
Evaristo Felice dall’Abaco – wisselgesprek in vier delen
Evaristo Felice dall’Abaco? Nooit van gehoord… Ik in elk geval niet. Zonde, want deze componist-cellist heeft prachtige muziek geschreven in de stijl van Corelli en Vivaldi. Op YouTube staan genoeg luistervoorbeelden van Abaco’s werken.
In deze recensie komt zijn opus 3 nummer 4 in G aan bod: een kerksonate (sonata da chiesa) voor 2 violen en cello en evt. orgel.
Deze kerksonate van hofmuzikant Abaco (1675-1742) bestaat uit:
2. |
Allegro ma non presto (1’38) |
Opnamen van deze kerksonate vind je (lastig) bij Spotify. Tip: zoek op “felice dall'abaco op. 3 n 4”. De duur van de delen is gebaseerd op Spotify-opnamen.
Imitatie
In het hele werk zit een rode draad: imitatie (typisch barok) van 1 thema. Per deel komt 1 thema aan bod, dat alle musici elkaar naspelen, maar nooit in strenge canon. Ook de bas aapt na. De partijen hebben geen tegenthema’s, hooguit af en toe een begeleidend element zoals lange noten in een toonladder over meerdere maten. En natuurlijk heeft de bas z’n harmonische noten, maar dat is nergens een eigen partij met een specifiek thema.
Largo
Het 1e deel is een voorbeeld van dit canonachtige werk. De stemmen imiteren elkaar en gaan met elkaar in een syncopisch gesprek. Het thema is gebaseerd op een toonladder waarmee de cello begint. De 1e viool zet daarna in, een maat later volgt de 2e viool. Deze probeert de 1e te overtreffen (muzikaal gevecht: ook typisch barok), door hogere noten te spelen. Dit soort stemkruisingen komen voortdurend voor. Je zou eruit kunnen opmaken dat de 2e partij niet ondergeschikt is aan de 1e, maar dat ze gelijkwaardig zijn.
Een tijdje trekken de violen samen op. Daarna laat viool 2 zijn bovenbuurman links liggen en gaat ‘ie een wisselgesprek aan met de cello. Uiteindelijk gaan alle 3 de stemmen op deze manier in tweetallen met elkaar ‘in discussie’ – weer typerend voor dit genre.
Het Largo is niet moeilijk uit te voeren. Houd het spannend met afwisselende dynamiek.
Allegro ma non presto
Deel 2 is een snel deel, maar niet te snel. Het begint in 12/8 en heeft richting het einde ook nog één 18/8-maat.
Het thema bestaat uit een lange reeks 8e-noten: groepjes van drie 8e-noten waarvan de eerste 2 zijn overgebonden (althans in deze uitgave). Dit is levensgevaarlijk om te spelen. Maar wie ervoor kan zorgen dat de laatste (losse) 8e geen optater krijgt door desnoods die overbinding weg te laten, heeft hiermee wel een leuk stukje muziek te pakken.
Ook hier is dynamiek van groot belang. Heb je niet het thema maar een begeleidende partij, dan speel je natuurlijk zachter, zodat je collega goed te horen is.
De 2e viool neemt in dit deel vaak het voortouw, geïmiteerd door de andere strijkers. In maat 8 speelt de 1e viool de baspartij, terwijl de cello samen met de 2e viool een sliert 8e-noten speelt. En in maat 11 heeft viool 2 de baspartij, de cello heeft een vulstem met een langzame stijgende toonladder en de 1e viool speelt de 8e-slinger.
Uiteindelijk zijn de rollen weer zoals in het begin, ‘zoals het hoort’: de cello speelt de baspartij, de violen de snellere 8e-noten.
Adagio
Ook hier leidt de 2e viool. De cello zet in, maar het is de 2e viool die weer als 1e het thema speelt: een stijgend motief. De 1e viool imiteert de 1e 5 noten en gaat daarna z’n eigen weg. In maat 11 zet de cello een omkering van het thema in, dus in dalende richting.
Later, in maat 17, speelt hij het thema ook nog in de oorspronkelijke versie op de oorspronkelijke toonhoogte. In maat 18 volgt viool 1, in maat 19 viool 2. Dit is de 1e en laatste keer dat ze alle 3 het canonachtige thema na elkaar inzetten. Vanaf hier spelen ze naar de eindstreep in maat 31. Intussen doet de cello in maat 21 nog even alsof hij weer de dalende versie speelt, maar dat blijkt een grapje. Na de eerste paar noten doet ‘ie weer wat anders.
Dit deel, dat net als het andere langzame deel in 3/2 staat, is prima te spelen. Ook hier geldt: je houdt het boeiend door dynamische afwisseling. Maar maak er geen Italiaans spektakel van, het blijft een ingetogen deel.
Allegro
Dit is het moeilijkste deel. 8e-slingers, toonladderfiguurtjes en syncopen zijn de belangrijkste elementen die – zoals we inmiddels weten – in imitatie gespeeld worden. Omdat de elementen elkaar snel opvolgen, is het moeilijk er afgeronde muzikale zinnen van te maken inclusief afsluitende (zachtere) dynamiek. Dit is dan ook de grootste uitdaging voor de muzikanten. De noten op zich zijn niet zo moeilijk.
En je kan er natuurlijk voor kiezen om de noten niet over te binden, waardoor het streektechnisch gezien minder lastig wordt. De climax komt van de cello, die inzet met het thema:

Hierna knoopt hij er meteen (waar de rusten staan) een lange riedel 8e-noten aan vast en direct daarna de slotcadens.
Conclusie
Dit werk is qua noten niet moeilijk. Een uitdaging kan de overbinding van 8e-noten zijn en ronduit lastig zijn in het laatste deel de frasering en dynamiek. Die is daar moeilijk vanwege het tempo.
Het is een werk voor 3 strijkers. Wanneer je het met een ensemble uitvoert, vormt de grotere bezetting meteen een ander obstakel. Het is dan namelijk lastiger om de klank transparant te houden, zeker in de snellere delen. Maar het is zeker niet onmogelijk.
Neem er de tijd voor en je publiek zal je dankbaar zijn dat je zo’n leuk werk onder het stof vandaan hebt gehaald. Had ik dall’Abaco maar eerder leren kennen…
Recensent: Hieke van Hoogdalem.
Hieke van Hoogdalem schrijft als freelance journaliste regelmatig recensies, bijvoorbeeld voor Klassieke Zaken de nieuwsbrief van de Concertzender. |